Goed, nou ja. Even iets anders. Ik ben dus ge-blog-tagged, door Peter Breedveld van Frontaal Naakt. Het is blijkbaar de bedoeling om 5 anekdotes over jezelf te vertellen, en vervolgens 5 andere bloggers te "taggen", die ook weer 5 anekdotes etc. etc. Maar goed, ik wil niet flauw doen. Hier alvast 5 verhalen uit mijn boeiende leven --- de lijst met mijn beoogde slachtoffers volgt later.
1.
Voor het vak Nederlands diende elke leerling aan 't eind van het jaar 15 boekverslagen te kunnen overleggen. Nou had je van die leerlingen die braaf elke drie weken met een verslag op de proppen kwamen, maar uit de ijzeren discipline waarmee ik mijn weblog onderhoud, kunt u wellicht afleiden dat ik niet zo'n leerling was. Aan het eind van het schooljaar zat ik dus met een probleem: Waar o waar haal ik 15 boekverslagen vandaan?
Nu was mijn leraar Nederlands een pedant stuk onbenul, behept met een feilloos vertrouwen in zijn eigen intellect, maar niet in staat om de simpelste ambiguïteiten te doorzien. Met andere woorden: je kon hem alles wijsmaken. Nu had deze man een voorkeur voor mijn persoontje, omdat wij beiden de trotse bezitter waren van een heuse PC. Er ging geen les voorbij zonder dat hij (tot ergernis van mijzelf en de rest van de klas) aan dit gegeven refereerde, en glunderende betogen hield over hoe hij en ik de herauten waren van een nieuwe tijd, ver verheven boven de computerloze holbewoners die de klas bevolkten.
Het begon me steeds meer moeite te kosten mijn klasgenoten ervan te overtuigen dat ook ik de slijmerijen van deze janjurk zat was. Ik bedacht een ge-ni-aal plan waarmee ik tegelijkertijd mijn leraar Nederlands kon straffen en tevens de kwestie van de ontbrekende boekverslagen op kon lossen.
Met neme een 15-tal grafische bestanden. Deze hernoemt men naar diverse meesterwerken uit de vaderlandse literatuur, en voorziet men tevens van een .DOC-extensie. Vervolgens zette men deze gemangelde bestanden op een floppy-disk.
Tijdens de laatste les Nederlands leverde ik deze disk ("Ja meneer, het papier van de printer was op, dus moet het maar even zo. Niet erg, toch?") in bij mijn docent. Hij kwam ter plekke klaar. Hij greep de disk, verhief zich uit zijn stoel, en wapperde mijn disk, als was het een pauselijke bul, boven zijn hoofd heen-en-weer. Ik zie hem nog zo staan. "Ja, jongens en meisjes! Kijk maar eens goed! Hier gaat het naartoe, jawel! Com-pu-ter-on-der-wijs! De toekomst, dames en heren! De toekomst!".
De hele klas wist echter wat ik gedaan had. Hij stond voor lul.
De vakantie brak aan, en ik had niks meer van mijn docent vernomen over mijn verslagen. Ik ging er van uit dat hij er óf niet naar gekeken had, of dat hij bang was dat hij een heel onbenullige fout maakte, en dat daarom mijn verslagen niet goed werkten.
Echter, op een dag riep hij mij bij zich in zijn lokaal. Ook de docent handvaardigheid (die gold als een ware computerexpert --- hij had immers twéé computers) was opgetrommeld.
"Is er iets?", vroeg ik.
"Eh, ja, eh, kijk --- die floppy van jou, die doet het niet."
"Wat doet-ie niet?"
"Nou ja, ik krijg allemaal rare tekens op het scherm.", zei hij.
"Jullie hebben toch wel dezelfde tekstverwerker?", onderbrak de handvaardigheiddocent deskundig.
Dat bleek het geval te zijn.
"Hij zou het gewoon moeten doen", zei ik. "U heeft toch niks raars met die disk gedaan?"
"Nou, eh, ik moet je bekennen dat ik hem zes weken in mijn tas heb laten zitten. En die heeft de hele tijd op de verwarming gestaan. Ik heb wel eens gehoord dat dat niet zo goed is."
"Nou, mooi is dat!", foeterde ik. "Dat waren originele bestanden. Ik heb geen back-ups."
"Dan is er niets meer aan te doen.", sprak de handvaardigheiddocent kordaat.
Handenwringend bood de docent Nederlands mij duizend excuses aan. Ik liet een gebroken man achter. De maand daarop heeft hij zijn baan opgezegd, en is een ander leven begonnen als herder. Af en toe, als niemand kijkt, durft hij het aan om heel voorzichtig zijn radio een kwartiertje te laten spelen.
2.
Toen ik negen was, heb ik ooit vreselijk last gehad van constipatie. Ik zou niet meer weten wat ik precies gegeten had, maar ik zat in elk geval al dagen pótdicht. Peperkoek, gedroogde pruimen, en zelfs een mierenzoet middeltje van de drogist: het had allemaal niks geholpen. Mijn moeder begon zich zorgen te maken, en besloot de huisarts maar eens te bellen.
Deze huisarts nu was een geval apart. Een beer van een kerel, met een stem van buskruit, en zo kippig als een Siamese kat. Hij had enorme, eeltige knuisten waar hij je tijdens onderzoeken de nodige blauwe plekken mee bezorgde. Hij was er een van de oude stempel, en hield niet van flauwekul; alle kinderen die hij ter wereld sleurde, werden bijvoorbeeld gewoon op het hele uur in het bevolkingsregister bijgeschreven. Maar ondanks al deze tekortkomingen (en niet te vergeten zijn beruchte voorliefde voor ouwe klare), stond hij bekend als een zeer bekwame huisarts. Deze man nu, ging mijn constipatie verhelpen.
Hij belde aan, blafte een groet, en liep gelijk met mijn moeder door naar boven. Op de trap informeerde hij wat de klacht was, en wat we er al aan gedaan hadden. “Joa, dan goan we moar es wa aanders proberen, woa?”. Hij beval me mijn broek te laten zakken, en op mijn buik te gaan liggen. Hij opende zijn dokterstas, en haalde er een, tsja, was wat het eigenlijk? Een soort van houten koker, met een lange dikke spuit aan de zijkant. Hij kneep één oog dicht, keek in de koker, en stak toen zonder opgaaf van redenen die spuit in mijn reet. Toen pakte hij zijn rooketui, en zijn tabaksblik, en begon doodkalm een pijp te stoppen. Deze stak hij nauwkeurig aan, en hij trok een aantal keren stevig aan het mondstuk. Toen bukte hij zich over mij heen, zette zijn lippen op de houten koker, en blies dikke rookwolken bij me naar binnen. “Agge mot goan, dan heur ik ’t wel, woa?”, raspte hij.
Nou, dat duurde niet lang. Na nog geen tien minuten uitroken was het raak. Ik trok eigenhandig dat ding uit mijn kont, en spurtte naar het toilet. “Toe maar!”, lachte hij ter aanmoediging.
Het moet een imposant gezicht geweest zijn; schijten terwijl er rookwolken uit je kont komen. De hele badkamer stond blauw, en er hing nog dagenlang een wonderlijke geur. Hoe dan ook, ik voelde mij heerlijk verlicht. Later leerde ik dat ik een rookklysma gekregen had van onze dorpschirurgijn. Een paardenmiddel, maar ik kan het van harte aanbevelen.
3.
Ik had net twee dagen mijn rijbewijs, en reed voor het eerst alleen in een auto. Ik vond dat een heel bijzondere ervaring, en voelde me voor het eerst ook echt "in de materiele wereld" volwassen. Het was een mooie zaterdagochtend, het was rustig op de weg, en ik reed naar bandrepetitie. Wie deed me wat? Ongemerkt trapte ik het gaspedaal steeds dieper in. Dat was ook nieuw --- echt hard rijden, zonder dat naast je gelijk iemand begint te jammeren. Radio aan, hard meezingen met de te repeteren nummers --- het ging echt lekker!
Maar plotseling, geloei, blauw zwaailicht. Politie! Achter me! En hij maakte een stopteken. Ik schrok me een hartverzakking, ging praktisch op mijn rem staan, en kwam voor mijn gevoel binnen anderhalve meter tot stilstand. Met het roodste hoofd dat ik ooit gehad heb, wachtte ik op wat komen ging. De deur van de politieauto ging open, en duizend gedachten gierden door mijn kop. "Wat kon er zijn? Hoe hard had ik gereden? Hoe hard mocht je hier eigenlijk?".
De agent bukte zich naar binnen. Het was een echte agent. Groot, dikke kop, snor. Hij keek niet blij.
"Rijbewijs", gromde hij. Met trillende handen overhandigde ik hem het document dat ik twee dagen eerder nog vol trots in ontvangst had genomen. Langdurig bekeek hij het roze papiertje.
"Zeg...", sprak de agent uiteindelijk.
"Ja, agent?"
"Dit rijbewijs heb jij nog niet zo lang, hè?"
"N-n-neee agent!"
"Zou zonde zijn om gelijk weer in te nemen, hè?"
"J-ja-jaa agent!"
"Hmja ... weet je hoe hard je reed?"
"N-n-nee agent!"
"Nee, dat dacht ik al ... ongeveer 150 was het."
"D-dat is teveel, agent!"
"Dat is heel veel te veel ... je mag hier 50. Ik zou je rijbewijs twee keer kunnen innemen."
Hij keek me doordringend aan. Ik had niks meer te zeggen, en ik kon wel janken. Wie moest ik straks bellen? Mijn moeder, of ze zelf even haar auto op wilde komen halen, met mij erbij?
De agent ging op zijn hurken zitten, keek me recht in de ogen, en priemde een vinger in mijn richting. "Als ik jou nog één keer hier zo pak, dan kom jij voor de rest van je leven nooit meer achter een stuur te zitten. Begrepen?". Hij stak mijn rijbewijs naar me uit, en ik pakte het aan. "Begrépen?", vroeg hij nog een keer. "J-j-ja, agent! Bedankt, agent!", stamelde ik. "Jaja. En nou opgesodemieterd", concludeerde hij.
Het duurde nog een kwartier voordat ik mijn auto durfde te starten, en verder te rijden. Ik heb de rest van de weg afgelegd met een gemiddelde snelheid van 29.2 km per uur, en kwam veel te laat bij de repetitie aan. En ja, tot op de dag van vandaag rijd ik op dat stuk weg nog steeds keurig 50.
4.
Mijn vader is jarig. We zijn in het ziekenhuis. Ik ben zeven jaar. Het is eind Februari, en het is een prachtige, kraakheldere winterdag. De zonneschermen zijn overal neergelaten, en zetten de kamer van mijn vader in een warme, oranje gloed. Er is veel familie, en iedereen is vrolijk. Het gaat goed met mijn vader; na drie hartaanvallen, en een jaar gesukkel, mag hij binnenkort naar huis. Hij is zelfs, na ruim 40 jaar, gestopt met roken. Hij lacht naar me, en iedereen weet het; alles komt goed. Zelfs de zon lijkt het te weten.
Ik ga op weg naar de kantine van het ziekenhuis. Ik heb geld meegekregen, en mag zelf iets lekkers uitzoeken voor mij en mijn neefjes uit de snoepautomaat. Ik heb de route naar de kantine al tientallen keren gelopen, maar deze keer raak ik de weg kwijt. Mijn gedachten zijn er niet bij; een verkeerde afslag, te vroeg naar links of rechts gegaan, geen idee. Ik kom in een gedeelte van het ziekenhuis dat in de schaduw ligt. Gelijk is het kouder, en donkerder. Enigszins in paniek loop ik een gang in die ik meen te herkennen. Op goed geluk duw ik een deur open; het is een ziekenkamer, waar een stokoude man in bed ligt. Hij heeft zijn blik op de deur gericht. Zijn ogen zijn wijdopen, maar leeg. Hij ziet mij niet. Zijn huid is vaalgeel, zijn gezicht is ingevallen. Hij vertrekt geen spier. “Sorry…”, mompel ik geschrokken, en trek snel de deur weer dicht.
In paniek loop ik in een draf door de gangen heen, en probeer mijn weg terug te vinden. Die man was dóód! Ik wist het zeker. Een dóde man. Ik heb een dóde man in het echt gezien!
Instinctief zoek ik de zon weer op, en kom uiteindelijk terecht in de kantine waar de snoepautomaat staat. Gehaast koop ik een paar “Raiders” en loop terug naar de kamer van mijn vader. “Is er iets?”, vraagt mijn moeder, maar ik schud mijn hoofd. Ik word niet echt meer vrolijk die dag.
Anderhalve week later gaat in de klas ineens de deur open. Mijn moeder staat huilend in de deuropening, en kan nauwelijks uit haar woorden komen. “Het ziekenhuis… ze hebben gebeld… ”
5.
Op een koude zondagavond kwam ik in kennelijke toestand mijn stamkroeg uitgerold. Dit was in een tijd dat ik nog wel eens met drank op achter het stuur kroop om naar huis te rijden. Ja, I know, kan niet, mag niet, heel fout, blablabla, --- maar ja --- tis toch gebeurd.
Anyway -- Ik stapte mijn auto (een aftandse Golf Diesel, bouwjaar 1782) in, en probeerde te starten. De motor gaf geen sjoege. Accu leeg, of liever gezegd: weer leeg. Bij de minste of geringste nachtvorst was het namelijk de bedoeling dat ik de accu uit de auto haalde om 's nachts aan de lader te leggen. Dit had ik verzuimd te doen. Ik vervloekte mezelf, en uit frustratie probeerde ik nog maar eens de motor tot leven te brengen.
Ineens werd er op het raampje getikt. Een politieagent! Godsamme --- zit ik hier met mijn zatte kop! Shitshitshitshitshitshitshit... ik pijnigde mijn benevelde hersens om een goed verhaal te bedenken, en draaide heel langzaam het raampje naar beneden.
"Goedenavond meneer!", klonk het olijk. "Problemen?"
"Eh ja, hij start niet."
"Ik hoorde het, ja. Klinkt niet best. We zullen eens kijken."
Maar plotseling fronste hij zijn wenkbrauwen. "Nou, u heeft goed gedronken! Klopt dat?"
Ik keek hem een eeuwigheid aan. En toen, uit het diepst van mijn hoofd, uit een plek die ik nooit meer heb teruggevonden, borrelde een wereldsmoes op. Volautomatisch hoorde ik mezelf het volgende zeggen:
"Jahaa, gedronken, ja, dat klopt inderdaad. Ruikt het zó erg? Ja? Hahaaa! Nou, goh! Maar ik gedronken, ja, inderdaad, haha! Dus. Maar, eh, ik ga dus ook zo met een taxi naar huis, natúúrlijk, maar, eh, het is hier dus morgen márkt, en dan staat mijn auto hier dus in de weg, en ik wilde hem dus alleen maar in die zijstraat daar parkeren, zodat ik hem morgen op kan halen, dus, want dan is het hier markt namelijk, dus, dan mag ik hem niet hier laten staan, dus, vandaar dat ik hem even weg wilde zetten, maar naar huis neem ik natuurlijk een taxi natuurlijk. Natuurlijk."
Verbaasd over de volmaakte logica van dit geïmproviseerde verhaal keek ik hem aan. Koortsig ging ik al mijn beweringen na. Klopte het? Wat ik had gezegd? Had ik nog ergens gaten laten zitten? Maar het was niet nodig: de agent was al gerustgesteld en hij begreep het helemaal.
"Ja, inderdaad. Anders hadden we hem morgen moeten wegslepen, haha! Heel goed van u! Ik zou willen dat mensen eens vaker wat verder vooruit dachten. Wacht maar! Kunt u even uitstappen?"
Hij nam plaats achter mijn stuur, opende de motorkap, en liet zijn collega de dienstwagen dichterbij rijden. Startkabels erbij, overstarten, vroem! Hij reed mijn auto naar de plek die ik had aangewezen, parkeerde hem keurig, betaalde parkeergeld tot 10.00 de volgende dag, en overhandigde mij de sleutels.
"Wel op tijd d'r bij zijn morgenochtend, anders heb je een parkeerboete. Dus uitslapen is er niet bij, haha!"
"Nou, geweldig jongens! Bedankt!", zei ik.
"Haha, nou, graag gedaan hoor. Nog een prettige avond!"
En weg waren ze. Ik ging terug de kroeg in, nam er nog een paar. En ben gewoon naar huis gereden, natuurlijk.
zondag, januari 14, 2007
Blogtag
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
9 reacties:
Ha, die zijn goed. Je huisdokterverhaal doet me aan mijn eigen jeugd denken. Ik ben door Greg genomineerd. Bedankt voor de inspiratie.
Nou, Lagonda, dat begint al een oeuvre te worden. Mooi, hoor.
Hartelijks,
Wampie
Ha Lagonda,
Ik geniet echt van alles dat je schrijft.
Dat zeg ik niet snel. Eigenlijk nooit.
Je moet me wel een ongelooflijke slijmjurk vinden, maar ik meen het echt.
Komt er een boek?
Superjan
Beste Lagonda,
ik hoop snel, HEEL snel weer een column van je te kunnen lezen.
groet,
Wolverine
Zelfs de niet zo zware stukken zijn uiterst lezenswaardig. Heel mooi. Vraag die mij rest: is Lagonda nu man of vrouw, of, is dit een domme vraag ? In ieder geval veel schrijftalent .
Sommige eerdere stukken van je heb ik met ingehouden adem van bewondering gelezen maar bij deze blogtag haak ik af. Te veel (of alleen maar) persoonlijke notities zijn eenvoudigwegniet boeiend genoeg. Wanneer komt er weer een stevig opiniërend stuk? Wat vind je van bert-bakker-in-de-media-deze-week?
geweldig om te lezen. de woordkeus, de stijl, en ook de inhoud. wat mij betreft mag dat wel een keertje, Herman.
en blasfemist, die vraag - is lagonda man of vrouw - kwelde me al een tijdlang, hoewel het volgens mij wel een hij moest zijn... tot ik in het verhaal over het dorp waar hij vandaan komt las (hoe vredig het was etc.) daarin was 't dacht ik te herleiden in de tekst. een hij dus ;-)
ik sluit mij aan bij herman
ik snak naar weer eens een ijzersterk stuk
je kunt het en ik geniet ervan
dus please
Dat met die disk, is mij ook overkomen. Goh wat komt er veel overeen met onze levens. mot wel occult zijn.
--Valentein--
Een reactie plaatsen